Een half jaar eerder
Wat had Marga graag gelopen over de zachte mosbedjes van de bosvloer, waarover te vroeg gevallen bladeren en half vergane takjes zich hadden gevleid.
In plaats daarvan zat ze in een houding die haar forceerde om vooruit te kijken. Haar handen waren naar achteren om een boom heen gebonden. Het bladerdak boven haar verried niets van bevrijding of vergeving. Vergeving van het zijn van een persoon. Ze kon niet zomaar vervallen tot de elementen waaruit de aarde was opgebouwd. In stilzwijgen zou ze eerst nog leven.
Ze besefte zich dat ze nooit tussen de schaapachtigen had moeten gaan staan. Als een ander wezen was ze. Ze dreef hen uiteen, bracht grote verwarring, veroorzaakt door die kleine ordeverstoring, door er alleen maar te zijn in haar verschijning, en niets meer.
Gehuld in doorweekte kleding keek Marga omhoog. Het miezerde en er steeg een damp op van de bosvloer. Insecten zochten aldaar naar elk spoor van verrotting en verval. Het daglicht werd gedempt, de bomen stonden vrij dicht op elkaar.
In de verte zag Marga schimmen. Ze voerden rituelen uit die ze niet kon plaatsen. Het was een gesloten groep. Marga was geen van hen. Ze kon hun stemmen net aan horen, verstond flarden Latijn. De groep achtte al hun handelingen rechtvaardig. Iustitia omni auro carior. Gerechtigheid is meer waard dan al het goud.
Hier spendeerde ze minuten, uren, ze wist niet hoe lang nog. Niemand keek nog naar haar, maar ze wisten waar Marga was. Ze was vindbaar, te verwerpelijk om gevonden te worden. Haar gewrichten deden pijn, alles was vochtig. Haar lichaam was een huls waarin ze leed en waarin haar geschiedenis was opgesloten. Het bos gaf haar toekomst niet prijs.
Marga schrok op, lag in foetushouding. Het gekletter van ontbijt dat door de dames met schort over hun grote boezems werd klaargezet kwam door alle muren heen.
Versuft kwam ze overeind en kleedde zich aan. De kamer rook bedompt en schimmelig. Eén raam sloot niet goed. Dik ingepakt had ze in haar slaapzak op het door vochtkringen bevlekte matras gelegen. Alles voelde vochtig en klam aan. De geur was overal in getrokken.
Het ontbijt was karig. Het bestond uit niets meer dan oude cornflakes, slappe thee, taai brood en een piepklein pakje extreem gezoete vruchtenyoghurt zonder ook maar enig stukje van het oorspronkelijke fruit dat aangegeven was op de verpakking. Er was niet veel tijd, en met nog een half broodje in de hand haastte Marga zich met de anderen naar het busje dat hen stipt om negen uur kwam oppikken om naar het onderzoekscentrum te rijden.
De route was hobbelig. Het vliegveld had een stuk van de lagune opgegeten, maar buiten het hek waren de wegen onverhard. De bus hoste door hobbels en kuilen. Het had in de nacht geregend, dus het water spatte omhoog wanneer de bus door een kuil reed. Stephan, Fabian, Marie, Maud, Ina en Rosa deden het verzin zo veel mogelijk bizarre woorden-spel achterin de bus, of zongen dwaze liedjes in koor. Judie en Tom zaten naast elkaar aan de kant waar de bankjes in paren stonden, vlak voor het zingende groepje. Ze keken af en toe hooghartig achterom. Ze voelden zich te goed voor dergelijke spelletjes. Marga zat aan de andere kant van het gangpad, waar enkele zitjes achter elkaar waren, en vond het druk in de bus. De rest zat meer naar voren, en was onverschillig aan het suffen. De docenten en begeleiders zaten helemaal voorin.
Het water duwde aan alle kanten tegen de ietwat te grote waadbroek die Marga droeg. Ze was met emmers een eind de stroom ingelopen, die nabij het onderzoekscentrum lag. Het was een van de hoofdstromen van de lagune. Het kalmeerde haar. Ze snoof en rook een zilte lucht, vermengd met een zweem van zeevruchten. Op het droge had ze onhandig rondgewaggeld in het pak, maar in het water kon ze er aanzienlijk beter mee uit de voeten. Het bleef de hele dag miezeren en de lucht leek met het koele water te versmelten. Het waaide windkracht zeven. Marga was blij dat haar waadbroek geen gaatjes had, zoals dat bij sommige anderen wel het geval was.
Dit fragment wordt deel van een groter geheel.